De talenten-tax
Meer dan 15.000 mensen volgen Jona's Substack. Jij ook?
Ik moet dit stuk beginnen met een verhaal. Een verhaal dat zich meer dan een eeuw geleden afspeelde.
Cambridge, januari 1913, om precies te zijn.
Er ligt een envelop op het bureau van wiskundige G.H. Hardy. Het is een brief gestuurd door een 25-jarige klerk uit Madras die nooit een opleiding, laat staan de universiteit, heeft afgemaakt.
Het is niet zomaar een brief. Het zijn negen dichtbeschreven vellen, vol formules die Hardy nog nooit heeft gezien.
Zijn eerste gedachte: dit is totale onzin, ik kan het negeren.
Zijn tweede gedachte, na een avond puzzelen met zijn collega Littlewood is alleen totaal anders.
Dit kán geen oplichterij zijn, zegt hij tegen zichzelf, want niemand heeft de fantasie om dit te verzinnen. Dit is zo ingewikkeld, dat het wel waar moét zijn.
De naam van de klerk die deze brief had geschreven was Srinivasa Ramanujan.
Hij had nooit wiskundige bewijzen leren opschrijven. Hij haalde zijn wiskunde, zei hij zelf, van een godin die in zijn dromen op zijn tong zou schrijven. En toch produceert hij in zijn eentje, aan een keukentafel in Brits-Indië, resultaten waar de knapste koppen van Europa jaren induiken, zonder resultaat.
Hardy, een van de beste wiskundigen van zijn generatie, doet dan iets opmerkelijks.
Hij maakt een lijstje, met cijfers van nul tot honderd. Een soort ranglijst van wiskundig talent.
Zichzelf geeft hij een 25. Zijn briljante collega Littlewood krijgt een 30. De grootste naam uit de wiskunde van dat moment, David Hilbert, krijgt een 80.
En Ramanujan? Die krijgt een 100. Het maximale cijfer. Een score die Hardy aan niemand anders heeft gegeven, ooit.
Sta daar even bij stil.
Hardy was een uitzondering op een universiteit vol uitzonderingen. En toch stond hij, gemeten in zuiver talent, op een derde van het niveau van een man die als kind zelf zijn wiskundeboeken uit de bibliotheek moest lenen, omdat zijn familie geen geld voor collegegeld had.
Twee breinen, geboren in totaal verschillende werelden, met een kloof ertussen die geen enkele hoeveelheid hard werken kan dichten. Hardy had zijn hele leven kunnen zwoegen en was nooit bij de kennis van Ramanujan gekomen, niets eens in de buurt.
Waarom vertel ik dit verhaal?
Dat is om iets over talent duidelijk te maken, wat we vaak vergeten.
Talent is geen beloning voor inzet. Talent is een lot uit een loterij waar je nooit voor hebt meegedaan, getrokken op het moment dat je nog niet eens wist dat je bestond.
Met dit verhaal, en met die scheve loterij vers in het achterhoofd, is het tijd voor de vraag die niemand durft te stellen.
Wij belasten alles in het leven. Van inkomen, vermogen, tot woningen en uitgaven.
Alleen… waarom heffen we eigenlijk geen belasting op ‘talent’?
Er was ooit een Nederlander die deze vraag, in iets nettere bewoording, hardop stelde.
Zijn naam was Jan Tinbergen.
Hij was niet zomaar iemand. Hij was de eerste winnaar van de Nobelprijs voor de Economie (1969).
Ik vertel dit niet zomaar. Tinbergen is namelijk een voorbeeld voor me geweest in mijn leven. Het was een man die de neiging had om ongemakkelijke vragen te stellen, die vaak uitkwamen op een antwoord dat even ongemakkelijk was.
Zo keek Jan Tinbergen in de jaren zeventig naar de inkomensverschillen en zag iets wat de meeste economen liever niet zagen: een groot deel van een hoog salaris is helemaal geen beloning voor hard werken.
Het is een renteopbrengst op schaarste. En die schaarste was talent.
De redenering van Jan Tinbergen was even ingenieus als simpel.
Als er maar drie mensen ter wereld zijn die een bepaald soort brein hebben, het soort dat een beursvloer leest, of een operatietafel, of een balans, dan betaalt de markt niet voor hun zweet, inzet of werken.
Nee. De markt betaalt voor hun zeldzaamheid.
Je kan het met een schilderij van Vermeer vergelijken. Een schilderij van Vermeer is niet zo duur omdat Vermeer er hard voor gewerkt heeft, maar omdat er nu eenmaal maar een beperkt aantal schilderijen van die man op de wereld zijn.
Laat een ding duidelijk zijn.
Tinbergens conclusie was allerminst een links pamflet tegen talent. Integendeel, hij was juist dol op succes en talent.
Zijn punt was preciezer en veel venijniger: juist omdát talent zo waardevol is, hoort de samenleving van die schaarste-winst een graantje mee te pikken. Niet omdat de talentvolle iets fout heeft gedaan. Maar omdat niemand, aldus Tinbergen, zijn eigen talent heeft verdiend.
Degene met veel talent heeft de loterij simpelweg gewonnen. Van die loterijwinst, zei Tinbergen, mag best een deel terug de pot in gestopt worden. Simpelweg omdat de rest van de samenleving dan ook iets overhoudt aan het feit dat er toevallig een genie is geboren.
Tinbergen noemde deze belasting dan ook: de ‘talenten-tax’.
Het is een economisch gezien volkomen steekhoudend idee, dat wij nooit zouden implementeren.
Maar.. wat nou als wij Tinbergen’s idee niet alleen citeren, maar eindelijk serieus zouden nemen?
Wat nou als wij dit, als gedachte experiment, wél zouden implementeren?
Wat nou als we niet het resultaat van het talent, dus salaris, belasten. Wat als we een belasting heffen op talent zelf?
Ik geef meteen toe: het is nogal moeilijk om dit uit te voeren, daar ben ik me zeer bewust van. Maar laten we dit eens proberen. Het is tenslotte slechts een gedachte-experiment.
Hoe zou dit eruit kunnen zien?
Bijvoorbeeld: een IQ-belasting.
Geen belasting op wat je verdient, maar op wat je hébt. Een cognitieve vermogensbelasting, geheven bij geboorte van je bewustzijn en jaarlijks bijgesteld met een testje bij de Belastingdienst. Vergeet de blauwe envelop, denk aan een grijze envelop met een IQ-test erin.
Hoe zouden we deze belasting dan vormgeven?
De vrije voet. Iedereen met een IQ tot de 100 betaalt niets.
De progressieve hersenschijven. Van 100 tot 115: een bescheiden heffing, de “denktax”, zeg twee procent van je latere inkomen. Van 115 tot 130: de “slimme-schijf”, vijf procent. Boven de 145 een IQ-toptarief, rechtstreeks gestort in een nationaal Talentfonds.
Het Talentfonds. Geen zwart gat, maar een investeringsfonds dat scholing en kansen financiert voor kinderen met een lager IQ maar torenhoge motivatie. Het cognitieve equivalent van de sociale huurwoning, maar dan voor hersencapaciteit.
De genie-heffing. Voor de uitschieters, oftewel: de Ramanujans van deze tijd, een aparte categorie: hoe hoger de zeldzaamheid, hoe hoger het tarief.
Aftrekpost: geluk gedeeld. Wie zijn talent daadwerkelijk inzet voor iets buiten zichzelf — onderwijs geven, onderzoek delen, mentorschap — krijgt korting. Slim zijn wordt zo niet afgestraft, maar het opsparen van slimheid voor jezelf wel.
Ja, ik hoor het bezwaar al door het scherm knetteren voor ik het heb uitgesproken.
“Hoe meet je dat eerlijk, IQ-tests zijn cultureel gekleurd, mensen gaan expres dommer testen, dit is dystopisch, dit ruikt naar een Zweedse Netflix-serie die slecht afloopt, en al niet lekker begint.”
Ja, eens. Allemaal terecht.
Maar heel eerlijk?
Diezelfde bezwaren gelden ook voor ons inkomen. Ook dát is een cultureel gekleurde, makkelijk te manipuleren maatstaf.
En toch belasten we dat zonder blikken of blozen al honderd jaar.
Ik zou willen dat ik dit kon afsluiten door alles mooi recht te lullen. Alleen hier komt de knik in het verhaal.
De talenten-tax gaat er, laten we eerlijk zijn, nooit komen.
Niet omdat het onrechtvaardig is: hij is economisch gezien misschien wel consistenter dan de helft van ons huidige belastingstelsel.
Hij gaat er niet komen omdat wij als samenleving één type toevalstreffer heilig verklaren: het toeval dat in je schedel zit.
We noemen de hersencapaciteit die je hebt: je verdiensten, meritocratisch. Maar ‘wie je bent’ komt voor een verontrustend groot deel neer op wat je toevallig hebt meegekregen, op een plek en tijdstip waar jij part noch deel aan had.
Dat is wat we van het verhaal van Hardy en Ramanujan kunnen leren.
Ramanujan’s genie was geen verdienste. Het was een winnend lot, afgeleverd in een dorp zonder loket om het te innen. Totdat Hardy toevallig de post open deed.
Misschien is dat wel de echte waarde van Tinbergens talenten-tax. Dat we het niet moeten zien als beleid, maar als spiegel.
In 1913 lag er een envelop op een bureau in Cambridge. Hardy had hem kunnen weggooien, maar hij besloot ‘m te openen.
Het verschil tussen een vergeten klerk uit Madras en een van de grootste wiskundigen van zijn eeuw was uiteindelijk niet talent. Het was iemand die de post opende, die daarmee de deur wagenwijd open deed.
Natuurlijk, de IQ-belasting en de grijze envelop met de IQ-test komen er nooit. Maar er is een ding dat we, denk ik, vergeten.
Er ligt namelijk wel degelijk post op ons bureau.
Het zijn winnende loten, afgeleverd in dorpen, wijken en klaslokalen zonder loket om ze te innen. Winnende loten waarvan de prijs door niemand kan worden geincasseerd.
Misschien is dat uiteindelijk wel wat we Tinbergens ‘talenten-tax’ kunnen leren.
De vraag is niet hoeveel een genie moet afdragen.
Nee, de échte vraag is hoeveel genieën wij op dit moment ongeopend laten liggen.
Simpelweg omdat de brief van het leven door hen niet kan worden opengemaakt.
👉 Mijn gloednieuwe boek ‘De babyboomerbiljoenen’ is nu verkrijgbaar. Benieuwd? Je kan ‘m hier bestellen, en dan ontvang je een door mij GESIGNEERD exemplaar.
👉 Ik ga met mijn voorstelling het theater in: Rotterdam, Den Haag, Deventer, Venray en Amsterdam. Wil je er bij zijn? Tickets zijn nu hier verkrijgbaar.









Was de briefschrijver Ramgarnatan ?
Jona wil alles maar belasten. Eerst erfenissen nu weer talent. De belastingdruk is al erg hoog. Laten we focussen op minder geld uitgeven, minder regels en minder ambtenaren bijvoorbeeld.